vrijdag 20 oktober 2017

Kabinet legt bom onder beschut werk en garantiebanen

Loondispensatie
Het was maar een kleine passage in het Regeerakkoord. Uitbreiding van het aantal beschut werk plekken met 20.000. De financiering daarvan vindt plaats door het instrument van loonkostensubsidies in de Participatiewet te vervangen door de mogelijkheid tot loondispensatie. Werkgevers kunnen daarmee onder het wettelijk minimumloon betalen, al naar gelang de verdiencapaciteit van de persoon in kwestie. De gemeente vult, afhankelijk van de gemeentelijke inkomensvoorziening waar de betrokkene gebruik van maakt, het inkomen aan. Het herintroduceren van de loondispensatie heeft enorme gevolgen voor de realisatie van het aantal Beschut Werk plekken (50.000) en het aantal Garantiebanen (125.000). En niet in de laatste plaats voor het inkomen van werkzoekenden die van deze regelingen gebruik maken.

Beschut Werk en Garantiebanen
Nog even terug naar de Participatiewet. De gedachte was om de instroom van de Sociale Werkvoorziening stop te zetten en via natuurlijk verloop af te bouwen. Waar laat je dan de nieuwe doelgroep met een beperkte loonwaarde? Als oplossing kwamen de zogenaamde 125.000 Garantiebanen voor werkzoekenden met een loonwaarde vanaf 50%. Op termijn 100.000 via het bedrijfsleven en 25.000 via de overheid. Voor werkzoekenden met een loonwaarde tussen de 30% en 50% voorzag de Participatiewet in zogenaamde Beschut Werk plekken. In eerste instantie zouden dit er 30.000 zijn. Het toekomstige Kabinet heeft dit nu opgehoogd tot 50.000. Via loonkostensubsidie vulde de overheid de loonwaarde aan tot het minimumloon. Iedereen blij, werkgever, werknemer en gemeente.

Loonkostensubsidie
Het verschil tussen loonwaarde en (minimum) loon krijgt de werkgever zoals aangegeven vergoedt van de gemeente via de loonkostensubsidie. Loonkostensubsidie compenseert daarmee de werkgever bij verminderde productiviteit van een werknemer. Stel de werknemer heeft een loonwaarde van 50% dan krijgt de werkgever een loonkostensubsidie van 50%. De werknemer verdient dan het minimumloon via de werkgever. Niks mis mee, het was even zoeken in de markt maar het begint te werken. Tot verleden week dinsdag dus toen het Regeerakkoord het licht zag. De loonkostensubsidie wordt afgeschaft en daarvoor in de plaats komt de loondispensatie.

Hoe ziet de loondispensatie eruit
Loondispensatie houdt in dat de werkgever mag afwijken van de Wet minimumloon en een loon mag betalen dat onder het wettelijk minimumloon ligt als de werknemer door een beperking niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. De werkgever betaalt alleen de loonwaarde en hoeft daar geen premie over af te dragen. Met een loonwaarde van 50% betaalt de werkgever dan 50% van het minimumloon. De gemeente vult dit bedrag aan tot uitkeringsniveau. De werknemer op een Beschutte Werk plek of een Garantiebaan verdient daardoor niet langer, zoals nu het geval is, het minimumloon maar krijgt een inkomen op bijstandsniveau. Dus aan de slag voor 36 of 38 uur per week op het niveau van de bijstand in plaats van het minimumloon.

Herkomst loondispensatie
De loondispensatie is voor het eerst toegepast als een pilot in 2010. Een maatregel van het toenmalige Kabinet Balkenende IV. Met coalitiepartners PvdA, CDA en CU. Kern van de pilot was dat gemeenten het loon zouden aanvullen tot het bijstandsniveau. Het is niet ondenkbeeldig dat de CDA en CU deze regeling weer op de agenda hebben gezet. In het Kabinet Rutte I komt de loondispensatie terug als onderdeel in de Wet Werken Naar Vermogen (WWNV). Met dit verschil dat er nu wel aanvulling plaats vindt naar 100% van het Wettelijk Minimum Loon (WML). In de Participatiewet van 2015 van Rutte II verdwijnt de loondispensatie weer. Daarvoor in de plaats komen het ontwerpbesluit loonwaarde en het ontwerpbesluit Loonkostensubsidies. Maar wel met hetzelfde resultaat. In Beschut Werk of op een Garantiebaan verdient een werkzoekende nog altijd minimaal het minimumloon. Bij Rutte III komt de loondispensatie weer op de agenda, maar dan slechts als aanvulling tot het bijstandsniveau. Weer terug bij af dus.

Betekenis werkzoekenden
Voor werkzoekenden met een niet volledig arbeidsvermogen zijn de gevolgen enorm. En dan gaat het nog geen eens over de administratieve rompslomp van de combinatie loon en uitkering. Van een voormalige werkplek in de sociale werkvoorziening met een salaris van maximaal zo’n 130% WML terug naar bijstand op 70% van het WML. Mensen uit de zelfde doelgroep die nu beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt gaan er dus 60% op achteruit. De toeleiding van werkzoekenden met beperkte loonwaarde naar Beschut Werk en Garantiebanen was al lastig. Met een loonsverlaging van 30% ten opzichte van de huidige regeling lijkt dit schier onmogelijk. Wie gingen er met het grootste vertrouwen ook allemaal weer op vooruit in de toekomst?




maandag 15 september 2014

Kunst van het veranderen

Het is woensdag 11 juni in de avond en ik sta in een kring met voor mij totaal onbekende mensen. Plaats van handeling Pakhuis de Zwijger. Het thema: Kunst voor en door de buurt. In het midden van de kring Sebo Bakker van het ZID theater. Hij neemt ons mee, met als centrale vraag: wat kunnen we leren van aansprekende community art projecten. We worden onmiddellijk aan het werk gezet.

Onwillekeurig moet ik denken aan Simone de Beauvoir. Zij schetste ooit het dilemma van de kunst: “brengen we de cultuur naar het volk of verheffen wij het volk tot de cultuur”. Sebo Bakker en Karolina Spaic, beiden grondleggers van ZID Community Art, weten wel om te gaan met dit dilemma. Hoe? Door het links te laten liggen en met het ‘volk’ een ‘eigen’ cultuur te scheppen. Sebo weet in een korte tijd een heterogene en diverse groep die avond tot een community te smeden. De manier waarop? Dat komt zo aan de orde. Nu eerst terug in de tijd.

Het is dit jaar precies 51 jaar geleden dat Maarten Luther King zijn beroemde rede hield bij het Lincoln Memorial in Washington. Met zijn retorisch vermogen ‘ I have a dream’ liet hij zien waarin hij geloofde. Zijn kracht was mensen mee te nemen in zijn droom. They believe what I believe. King nam zijn toehoorders mee in het waarom. Het hoe en wat kwam voor hem op de tweede plaats. Daar moesten mensen zelf maar invulling aan geven. Nog altijd raakt zijn rede mij in de ziel.

De diepere kern van community art is mensen mee te nemen in het delen van gemeenschappelijke ideeën en waarden. Tegelijkertijd is er de ruimte over het hoe en wat van de kunstzinnige vormgeving. Iedereen weet wel wat te doen in het leven, velen weten ook nog wel hoe je het moet doen. Maar over het waarom zijn we het spoor bijster. Dat is de draad die community art oppakt.

Als samenleving zijn we wat kwijt geraakt sinds de speech van King in de jaren zestig. Van solidair werden we tolerant. Daarna passeerde we de grens van onverschilligheid. Onverschillig naar elkaar, naar de samenleving naar de natuur. Sommigen gaan nog een stap verder en zijn ronduit onverdraagzaam. Er zijn mooie namen aan gegeven: verschraling, individualisme, radicalisme. You name it. In zijn kern wordt de verbinding met anderen niet meer gezocht. Een goed gevoel van cultuurautisme. Ieder gaat op zoek naar het eigen gelijk. Community art probeert die muur te slechten. De naam ZID is ook niet toevallig gekozen. Het betekent ‘de muur’ in het Nederlands.

Community art weet heterogeen samengestelde groepen tot een gemeenschap te construeren. Niet door gelijk te vertellen en te leren over hoe en wat er moet gebeuren. Community art start met delen. In de Antropologie noemen wij dit articulatie van productiewijzen. Op zoek gaan naar het gemeenschappelijke. Dingen die je met elkaar deelt. Dat is het fundament waarop community art wordt gebouwd. Een spel van herkenning en erkenning. En de uiteindelijke vorm? Die verschilt elke keer en is vooral persoons-, situationeel en sociaal- geografisch gebonden. Het is het (her)scheppen van een eigen cultuur. Een cultuur van het delen, verschilligheid en verdraagzaamheid.

De natuurlijke habitat van community art zijn de sociale pleinen. Plekken bieden of zoeken waar mensen samen komen, samen zijn. Dat kan in een buurt, een wijk maar ook in een organisatie zijn. Binnen onze ‘Pakhuisgroep’ liet Sebo de groep elementaire waarden delen: elkaar fysiek ruimte geven, contact maken, elkaar aanraken een gekozen moment delen. Een korte workshop. Maar de boodschap was duidelijk. Eerst een fundament voordat je bouwt. Het impliciete weer expliciet maken. Dat is de cultuur van veranderen en het (her) scheppen van een nieuwe cultuur.

Terug in de auto richting Amersfoort heb ik muziek van Nick Cave op staan. De song ‘ People ain’t no good’ komt langs. Gelukkig weet ik beter. Voor Community art in de buurt en de wijk is er echter nog wel werk aan de winkel.

vrijdag 24 januari 2014

Sociale Wijkteams: klantgericht of klantgezwicht?

Van de week las ik een artikel in Binnenlands Bestuur over het functioneren van de Sociale Wijkteams. Onderzoeksbureau Movisie was in de gemeentelijke beleidstukken en evaluatierapporten gedoken. De indruk van Movisie is dat Sociale Wijkteams een hype zijn.Het veronderstelde menselijke gezicht van het Sociale Domein in wijk.Tja kom daar maar eens om.

Lokale inkleuring
Na wat spitwerk vonden de onderzoekers als snel de rode draad. De bestudeerde nota’s en notities bleken namelijk ‘heel algemeen en vaag geformuleerd’ te zijn.Kwestie van knip en plakwerk blijkbaar want de onderzoekers zagen vaak ‘dezelfde teksten terugkomen'. De lokale inkleuring zou daarmee ontbreken. Maar dan zijn we er nog niet. Gemeenten blijken nauwelijks argumenten voorhanden te hebben waarom ze een sociaal wijkteam in het leven willen roepen. De sociale wijkteams worden blijkbaar gezien als dé organisatorische oplossing van de nieuwe wet- en regelgeving op gebied van jeugd, zorg en werk. De relatie met welke problemen er in de wijken spelen en hoe dit op te lossen met sociale wijkteams ontbreekt geheel volgens de onderzoekers. Afijn zo gaat dit nog een tijdje door. Met een ‘betere afstemming tussen de organisaties’, minder ‘professionele drukte’ en ja daar- komt- ie ‘het stimuleren van de burgerkracht’. Mandatering en aansturing ontbreken concluderen de onderzoekers droogjes. Klantgericht of klantgezwicht en wie is eigenlijk de klant?

Business as usual
Vooropgesteld, de verzorgingsstaat opnieuw uitvinden op regionaal en lokaal niveau is geen sinecure. Business as usual met hetzelfde ambtelijke kunstje op wijkniveau, daar kom je echter niet mee weg. Wat doen we nog wel en wat doen we niet meer in de wijk? En wie betaalt daarvoor de prijs? Dat is in feite de vraag met betrekking tot de positionering van de verzorgingsstaat. Als het op papier nu al niet duidelijk te krijgen is. Hoe moet het dan in de praktijk? Met de gedecentraliseerde aanpak in het sociale domein is niets mis. Maar dan zal er wel uit een ander bestuurlijk en beleidsmatig vaatje moeten worden getapt.

Mantra
Neem het mantra ‘de wijk en de (participerende) burger staat centraal‘. In deze aanname alleen al zitten twee grote risico’s. Ten eerste leidt dichterbij de burger tot een toename van de vraag. Er worden eerder problemen gesignaleerd die eerder kennelijk onopgemerkt en onbehandeld bleven. Ten tweede wekt de slogan ‘de burger centraal’ bij de burger de suggestie dat alle vragen op zijn minst in behandeling worden genomen. En niet alle vragen van de burger, hoe legitiem ook, kunnen worden opgepakt. Kwestie van kiezen en lef.

Van buiten naar binnen
Hoe dan wel? In hun beleidsnota’s en plannen van aanpak moeten lokale overheid en maatschappelijke dienstverleners zich rekenschap geven waar ze van zijn. Wat is het vraagstuk dat centraal staat? Welk programma en wat voor activiteiten horen daarbij? Leent deze aanpak zich voor zelfsturende burgers? En zo ja in welke mate? Om tot een adequate wijkaanpak te komen dient niet de burger maar het vraagstuk van de burger centraal te staan.Het gaat ook niet om de eigen kracht van de burger, maar om het versterken van het oplossend vermogen. En ook niet om het versterken van het sociale netwerk door de sociale wijkteams maar om het faciliteren van het organiserend vermogen binnen het netwerk. Dat moet per wijk en buurt bepaald worden en dat kan geen ambtelijke blauwdruk zijn. Niet de O van organisatie of de P van personeel moet centraal staan, maar de M van marktvraagstuk de D van dienstverleningsconcept. Maak daar keuzes en dan volgt de O van organisatie vanzelf. Werkend van buiten naar binnen in de volgorde van richten van doelen, inrichten van de organisatie en verrichten van de taken en het verdelen daarvan. Nooit te oud om te leren dus. “Kom schrijvers, geleerden, profeten op papier, de kans komt niet weer, dus kijk maar eens hier. Want er komen andere tijden” Ooit gezongen door de dit jaar 70 geworden Boudewijn de Groot. Laten we ons daar dan maar even aan vasthouden.

donderdag 25 juli 2013

Drie dimensionaal worstelen

Veel overheden worstelen momenteel met de zogenaamde drie decentralisatie dossiers: Jeugdzorg, WMO en Participatie. Meer doen met minder middelen. Kom daar maar eens om. Of anders, hoe leg je dit uit aan je inwoners als er volgend jaar gemeenteraadsverkiezingen zijn. De echte worsteling zit echter een laag dieper. In de kern gaat het om de veranderende verhouding tussen lokale overheid, maatschappelijke dienstverleners en de burgers. Feit is dat de overheid zich daar waar mogelijk terugtrekt dan wel haar rol minimaliseert binnen het maatschappelijk domein. Bezuinigingen eisen hun tol. Voorzieningen worden afgebouwd. Maatschappelijke organisaties beknot. Dit levert een spanningsveld op tussen faciliteren van de ‘harde’ en ‘zachte’ infrastructuur, het programmeren van activiteiten en de mogelijkheid tot zelforganisatie van (buurt)bewoners. U en ik dus. Aangesproken op ‘burgerkracht’ en ‘participatie’.In dit krachtenveld verschuift de rol van de gemeente. En in het kielzog die van de maatschappelijke dienstverleners. Minder centrale regie, meer procesfacilitator, meer werkend vanuit een dienstverlenend concept. Waarbij niet elk (maatschappelijk) verlangen van de burger nog langer wordt vertaald in een claimcultuur. Daar zit de echte worsteling.

Positioneringsvraag
Gemeentelijke bestuurders en betrokken professionals worstelen in dit kader vooral met een positioneringvraag. Waar zijn we van? Voor wie moeten we er zijn?  Dat zowel lokale overheid als maatschappelijke organisaties op zoek gaan naar nieuwe oplossingen, voor een andere aanpak van vraagstukken is te prijzen. Wat doen we nog wel en wat doen we niet meer? En wie betaalt daarvoor de prijs? Dat is in feite de vraag met betrekking tot de positionering van de verzorgingsstaat. Centrale vragen  hierbij zijn: wat moeten we gaan doen? Wat zijn daarvoor de  eerste stappen?  Hoe luidt de boodschap aan de maatschappelijke organisaties en burgers? Welk programma en wat voor activiteiten horen daarbij? Welke functie  spelen daarin de sociale (activiteiten)  en ruimtelijke (accommodaties) infrastructuur. Leent deze aanpak zich voor zelfsturende burgers? En zo ja in welke mate?

Co-creatie
In feite dient de lokale overheid een beroep te doen  op co-creatie. Met een menselijke maat van onderlinge waardecreatie. Wat kunnen we voor elkaar betekenen? Het exploreren van initiatiefrijke ideeën.  Het is de wereld van groot denken en klein beginnen. Nieuwe denkkaders en out-of-the-box. Waarbij de overheden van het “wat” moeten zijn en de aanverwante maatschappelijke organisaties van het  “hoe”.

Helder kader
Het  is niet zo ingewikkeld om  maatschappelijke vraagstukken te prioriteren en ambities te formuleren. Toch ontbreekt dit vaak als het gaat om een goed ontwikkeld College programma. Een overheid meer van de strategische vraagstukken en minder van de operationele actiepunten.  Meer 'wat' en minder 'hoe'. Het is van belang de verwachtingen over en weer bij te stellen. Dat vergt een duidelijke boodschap vanuit de overheid maar ook van  betrokken professionals in het maatschappelijke middenveld. Met een helder en eenduidig verhaal van wat de bewoners kunnen verwachten . Wat de gemeente en de betrokken professionals niet meer doen. En wat nog wel. 

Voorzieningen geen doel opzich
De  beschikbaarheid aan huidige maatschappelijke voorzieningen zegt  meer over de financiële middelen uit het verleden dan over de financiële tekorten van het heden. Overheid en professionals moeten bepalen of hun inzet voor een sociale en ruimtelijke infrastructuur toegevoegde waarde heeft of niet. Dat is wat anders dan van je inzet een verdelingsvraagstuk maken. Daar waar de (sociale) infrastructuur het hardste nodig is. Daar zit ook de burger die over het minste sociale kapitaal van zelfsturing of zelforganisatie beschikt. Daar is de rol van de overheid het grootst en zo was  ooit ook de verzorgingsstaat bedoeld. Die boodschap moet helder zijn. Dit vereist positioneel denken en situationeel handelen. Voortdurend jouw rol als overheid en maatschappelijke organisatie helder krijgen: directe sturing, begeleiden,  faciliteren of alleen maar kijken hoe het loopt? Misschien is “burgerkracht” wel meer een opgave voor overheden en  professionals dan voor burgers.

donderdag 18 april 2013

Jumping-Jack-Flash-Momentje

Bij het componeren van hun album Beggars Banquet in een Engels landhuis in het voorjaar 1968 zagen de Rolling Stones  met regelmaat de tuinman langs de open serre flitsen.  Op de vraag van Mick Jagger wie dit was zei Keith Richards volgens de overleveringen“Jumping Jack Flash”. Zie hier de inspiratie voor een mooi Stones nummer. Het net gesloten Sociaal Akkoord deed mij denken aan Jumping Jack Flash.

Mixed emotions
Voordeel van het ouder worden is dat je nog eens terug kunt vallen op mooie nummers uit je jeugd. Bovendien zie ik soms de zelfde maatschappelijk bewegingen met dezelfde regelmaat langskomen. Inderdaad. Mijn Jumping-Jack-Flash-momentje. Het Sociaal Akkoord van Sociale Partners en overheid was zo’n ogenblik. Groot geworden met het Sociaal Akkoord van Wassenaar uit 1982 was het ditmaal andere koek. Konden de partners in die tijd er met anderhalve pagina mee af. Het Kabinet Rutte c.s. hebben maar liefst 40 pagina’s nodig. Met één klap moeten we in 2020 terug zijn waar eind vorige  eeuw om moverende redenen afscheid van is genomen. Dat kost natuurlijk een paar pagina’s. Weinig historisch besef bij de huidige bestuurders. Mogelijk een collectief gevalletje van altzheimer. De gekozen bestuurlijke  oplossing van de problematiek is er namelijk één uit de oude doos. Terug in de tijd naar een concept waar elk weldenkend mens indertijd van zei, dit niet meer. Tja. You are not the only one wtih mixed emotions zongen The Stones.
Akkoord in beton
Het is  dan ook opmerkelijk dat de Sociale Partners weer de regie krijgen over de werknemersverzekering. Voor de parlementaire enquête in 1993 waren werkgevers  en vakbonden ook al verantwoordelijk voor de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid en werkloosheid in zogeheten bedrijfsverenigingen. En samen met de gemeenten bestierden zij arbeidsbureaus. Beide soorten instellingen zijn in de jaren negentig volledig ontmanteld. De toenmalige  parlementaire enquêtecommissie onder leiding van PvdA’er Flip Buurmeijer concludeerde dat de werkgevers en bonden er een potje van hadden gemaakt. Hun ‘bedrijfsverenigingen’ waren vooral adequaat in het tijdig en soepel verstrekken van uitkeringen. De arbeidsbureaus konden al helemaal geen goed doen. Met één sprong terug in de tijd.  Het bouwwerk van het poldermodel is weer helemaal terug daar waar het de arbeidsmarkt betreft. Een landelijke Werkkamer, arbeidsmarktregio’s 35 in getal met even zo vele besturen, Wekpleinen, Werkbedrijven en een Landelijke keuringsinstelling, Net of de bordjes verhangen zijn: LBA, CBA, RBA, Bedrijfsvereniging, UVI’s, UWV, CTSV, Tica, Arbeidsbureaus en Centra Werk en Inkomen.  What is in the name? Het Akkoord is in beton gegoten volgens de Minister van Sociale Zaken. Kunnen we weer 30 jaar vooruit om in 2050 het beleid van begin deze eeuw weer op te pakken.
Boze tongen beweren dat het Sociaal Akkoord er gekomen is om de positie van de FNV te redden. Participeren in het arbeidsmarktbeleid door de vakbonden zo weet men uit het buitenland geeft status. En status geeft leden. Die heeft de tanenende Federatie hard nodig. Beter de FNV met Ton Heerts om zaken te doen dan invloed van muitende SP’ers moeten de werkgevers hebben bedacht. Hot Stuff I can’t get enough. Intussen is de werkloosheid gestegen tot 643.000. Een absoluut negatief record. Rutte heeft aangegeven in 2016 met oplossingen te komen voor de arbeidsmarkt. Tja. En degene die nu werkloos is dan? All I hear is the sound of rain falling on the ground I sit and watch as tears go by.

dinsdag 2 april 2013

De ene quotering is de andere niet

Quotering arbeidsgehandicapten
Eind maart meldde PostNL trots dat er een samenwerkingsovereenkomst was gesloten met de Sociale Werkvoorziening (WSW). Maar liefst 1.200 WSW konden aan de slag als postbezorger. Op termijn moeten daar nog eens 500 bijkomen. Gedacht wordt aan mensen in de bijstand. De suggestie wordt gewekt dat PostNL hiermee tevens voldoet aan de quotering van arbeidsgehandicapten. Een maatregel van de overheid waarbij bedrijven en organisaties met meer dan 25 werknemers verplicht worden gesteld dat minimaal 5% van het personeelsbestand uit gehandicapten moet bestaan. Bij PostNL werken 60.000 mensen. Met de overeenkomst lijkt dit bedrijf dus aardig op weg. Een nadere analyse van de overeenkomst leert dat het niet zo rooskleurig is als het wordt voorgesteld.

Business as usual
De overeenkomst bestaat in principe uit twee delen. In de distributiecentra gaan 1.200 WSW aan de slag. Daarnaast worden nog eens 500 postbezorgers ingehuurd. Totaal gaat het dus om 1.700 personen. Door bemiddeling van het Locusnetwerk is dit contract met PostNL tot stand gekomen. Een samenwerkingsverband van Divosa en Cedris die publiek-private samenwerking aangaat met het bedrijfsleven om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan de slag te helpen. Locus speelt een belangrijke rol in de gesloten overeenkomst met PostNL. Kern van de overeenkomst is dat de postbezorgers en de mensen die gaan werken in de distributiecentra van PostNL daar niet op de pay-roll staan. Deel twee van de overeenkomst. Er is een zakelijke overeenkomst gesloten tussen de WSW-bedrijven en PostNL voor het verlenen van diensten. Daarmee genereren de samenwerkende WSW-bedrijven een omzet. In feite business as usual binnen de WSW-sector.

Verdienmodel PostNL
Wat PostNL angstvallig achterwege houdt is de omvang van het contract met de WSW-bedrijven. Toegegeven wordt dat de medewerkers in de distributiecentra goedkoper zijn, maar dat voor de postbezorgers een marktconforme prijs wordt betaald. Bijzonder in dit geval is dat PostNL in het verleden behoorlijk heeft gesneden in de personeelsformatie. Zo werden 10.000 vaste contracten omgezet in flexibele contracten. Daarnaast verlieten in 2,5 jaar tijd ruim 7.000 personen het bedrijf. Onlangs werd bekend dat er nog eens 3.000 zullen volgen. De constructie voor PostNL met de WSW-bedrijven moet dan ook wel goedkoper zijn dan werken met de voormalige postbodes. Het is niet voor niets dat PostNL verwacht in 2015 een verhoging van de nettowinst te realiseren die ligt tussen de € 300 en € 370 mln. Inmiddels weten we waar deze marge ondermeer vandaan kan komen.

Verdienmodel WSW
Omdat de WSW-medewerker niet in dienst komt van PostNL is er van een daadwerkelijke uitstroom naar de arbeidsmarkt geen sprake. Een euvel waar WSW-bedrijven al veel langer mee worstelen. Gemiddelde uitstroom ligt op 6% per jaar. Waarvan het gros door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Redenerend vanuit het perspectief  van een arbeidsmarktinstrument, daadwerkelijke uitstroom richting arbeidsmarkt, schiet de WSW daarmee te kort. Zo ook in dit geval.  WSW-medewerkers die in de distributiecentra werken blijven op de pay-roll van de WSW-staan. Bovendien betaalt de WSW ook nog eens de begeleidingskosten. Het gemiddelde salaris in de SW ligt op € 28.000,- plus € 6.000,- begeleidingskosten komt dit neer op € 34.000,- per WSW-medewerker. Een bedrag wat PostNL echt niet zal betalen. Daar staat tegenover dat de WSW een subsidie ontvangt van € 25.975,- per FTE in 2013. Plus re-integratiemiddelen voor begeleiding. De totale subsidie inkomsten voor het WSW-bedrijf per FTE bedragen daarmee € 31.975,-. Per medewerker komt dit neer op een verlies van € 2.025,-. Dit verlies plus de kosten voor overige bedrijfsvoering moeten dan worden goed gemaakt door inkomsten uit omzet per FTE welke door PostNL zal worden betaald.In de regel draaien WSW-bedrijven dan nog met verlies. De goede uitzonderingen daar gelaten.Daarbij komt dat de subsidie per FTE de komende jaren gestaag gaat dalen. Het maakt de bedrijfsvoering er niet makkelijker op.

Verschil in beloning
Tot slot zit er nog een pikant detail aan deze hele overeenkomst met PostNL. Uitkeringstechisch is er sprake van twee categorieen van werknemers: een WSW'er en een bijsdtandsgerechtigde.Uitgaande van de detachering krijgt een WSW 120% van het minimumloon uitbetaald. Dit conform de WSW-cao. Deze WSW’er blijft immers in dienst van het WSW-bedrijf. Een bijstandsgerechtigde ontvangt, ondermeer in het kader van de nieuwe Participatiewet, maximaal het minimumloon. Deze bijstandsgerechtigde valt namelijk niet onder de WSW-cao. Voor hetzelfde werk bij PostNL krijgt een WSW’ er in the end meer uitbetaald dan de bijstandsgerechtigden. Tel uit je winst of je verlies, naar gelang je positie.
 

maandag 24 december 2012

Het comfort van de cornervlag


Wachtend voor het stoplicht kijk ik uit op het voetbalveld van de plaatselijke KVVA aan de overkant van de weg. De wedstrijd is net afgelopen. Op de achtergrond sjokken de godenzonen in spe terug naar de kleedkamer. Op de voorgrond loopt een grensrechter met een cornervlag onder de arm. Op weg om ook de andere cornervlag op te halen.

Het is een week na het afschuwelijke incident in Almere. Inmiddels strijden vooroordelen om elkaars voorrang. Zowel binnen als buiten de lijnen.Voetbal is een volksport. Voetbal is emotie.  Over voetbal heeft iedereen een mening. Zowel binnen als buiten de voetbalwereld. Zelfreflectie is vaak ver zoek.  Ieder op zoek naar het eigen gelijk. Opererend in de eigen comfortzone. Nog niet gewend zich te verhouden tot veranderende maatschappelijke omstandigheden. Met voetbal alleen kom je er niet meer. Als voormalige voetbalbestuurder heb ik dit de afgelopen 10 jaar als geen ander ondervonden. Voetbalverenigingen zijn geen primitive isolates. Met een strenger straffen. Een minuut stilte. Acties tot meer meer respect. Hoe nobel het streven. "Je"  komt er niet mee weg. Wat dan wel?

Voorop gesteld. Voetbalverenigingen zijn fatastische organisaties. In staat om hun leden elke week weer een programma aan te bieden. Gerund door vrijwilligers. Optredend als waakhond over het inbruikeleen verkregen maatschappelijke vastgoed. Hoezo accommodatieloos welzijnsbeleid? Zelfsturende burgers. Programmeren voor een brede doelgroep. Menig gesubsidieerde maatschappelijke organisatie met bezoldigde professionals kan daar een voorbeeld aan nemen.

Het dilemma is dat de organisatorische inzet van de  gemiddelde voetbalvereniging niet meer toereikend is. De overheid trekt zich in toenemde mate terug uit buurten en wijken. Buurthuisvoorzieningen sluitend. Professionals weggesaneerd. Maatschappelijke vraagstukken komen daarmee sneller een vereniging binnenzetten. De druk op de organisatie neemt toe. Met het organiseren van een potje voetbal kom je er niet meer. Zoekend naar een nieuwe  rol met een passende invulling. Voetbal niet langer een doel opzich, maar een middel om maatschappelijke vraagstukken op te pakken. Kom daar maar eens om.

Toch ligt het voor het oprapen. Haal in de eerste plaats voetballende leden uit hun comfortzone. Vrijwilligers lopen zich veelal uit de naad om de ‘ godenzonen’ het naar de zin te maken. De veters worden nog net niet gestrikt. Als ze zich al niet het mannetje voelen creeeren verenigingen dit zelf wel. Met het risico van ongewenst gedrag van dien. Trap niet in de valkuil van de ultieme vrijwilliger. Die bestaat niet meer. Vrijwilligerswerk doe je namelijk niet voor de vereniging maar voor jezelf. Omdat je het leuk vindt. Voer daar als vereniging gericht beleid op. Laat alleen leden toe waarvan de ouders actief mee doen bij de club. Maar er is meer. Zoek als vereniging de verbinding in de wijk met jongerenwerk, met de scholen, de wijkagent. De wereld van een jeugdlid is groter dan die van een voetballer in het weekend. Het is niet de vraag of maar hoe je als vereniging moet samenwerken met andere maatschappelijke organisaties. Problemen op het veld zijn de spiegel van maatschappelijke onverschilligheid en onverdraagzaamheid. Probeer dit voor te zijn.

Tot slot de overheid en de KNVB. Lokale overheden financieren aan de lopende band kunstgrasvelden en sportaccommodaties. Daarna gaat veelal de deur dicht bij de vereniging. Sociaal return of investment? Blijkbaar nooit van gehoord. Lokale overheden mogen best wat terugvragen aan een sportvereniging voor een investering van een paar ton in een kunstgrasveld. Wat denkt de vereniging terug te  doen voor de wijk de buurt? Er is meer dan voetbal. Dit laatste is door de KNVB als slogan verheven om met een gelijknamig programma de verruwing op en rond het veld tegen te gaan. Tot nu toe is dit allemaal veel te marginaal gebleken. Nieuwe vraagstukken vragen om een nieuwe structurele aanpak. Het verleden heeft dit bewezen. De KNVB en de betaald voetbalorganisaties zijn uitstekend in staat gebleken om eind vorige eeuw het hooliganisme uit de stadions te verdrijven. Herpositionering van het voetbalbedrijf met al zijn glamour en glitter. Roem voor velen, rijkdom voor enkelen. Met een succesvol doorontwikkelen van nieuwe bedrijfs- en verdienmodellen in de voetbalwereld. Uitstekend allemaal. Maak als KNVB nu ook eens serieus werk van de maatschappelijke rol van de voetbalverenigingen met hun 1,2 mln. leden. Dat is pas de uitdaging van deze eeuw. Benieuwd wie na de winterstop de cornervlaggen opruimt.